Huize Agnetendal

Dirk Bruninckx (Bruijnincx) was priester en stichtte in 1432 een klooster van de Derde Orde van St. Franciscus in Achel met de naam St. Catharinadal. Door het succes daarvan was uitbreiding gewenst en hij vond in 1452 in Dommelen een geschikte locatie voor een tweede vestiging.

In 1453 vestigden zich hier enkele zusters uit Achel. Ze volgden strengere regels: aanvankelijk waren er zes slotzusters en zes buitenzusters. Men hield zich bezig met onderwijs en landbouw. De naam Agnetendal sloeg op de Heilige Agnes, de heilige met het schaapje, en tevens op de schapenteelt die er werd beoefend.

Het klooster werd rijk begunstigd en groeide. Soms waren er wel 70 zusters. Door misoogsten en oorlogstroebelen verarmde het klooster. De Reformatie en de Tachtigjarige Oorlog brachten nieuwe zorgen. In 1577 moesten de zusters tijdelijk vluchten naar Bree. Na 10 jaar keerden de zusters terug en begonnen met het herstel. Na de val van Den Bosch in 1629 nam de onrust weer toe. Plunderingen en brandstichtingen kwamen regelmatig voor. Van 1641 tot 1648 had het klooster nog steun van de pastoor van Bree, maar na de Vrede van Münster moest ook hij zich schuil houden. Als in 1648 de plaatselijke St. Martinuskerk op last van de overheid wordt gesloten, wordt de kloosterkapel ook gebruikt als parochiekerk omdat de aanwezigheid van het klooster aanvankelijk werd gedoogd. In 1663 vertrokken 14 zusters naar Weert, waar een bloeiend klooster ontstond dat in 1674 zelfstandig werd.  

In 1703 werd Dommelen door Staatse troepen verwoest, en ook het klooster werd daarbij beschadigd. Twee jaar later werd door de overheid aangezegd om het klooster te ontruimen. Het bezat toen 20 ha. grond en een boerenbedrijf, met een schaapskudde en vijftien koeien. De zusters gingen in stilte verder met hun werk, waarbij ze opgenomen werden door particulieren. Zij namen zelfs enkele novicen aan, waarop de overheid in 1716 beval om binnen acht dagen te vertrekken. Na beroep kregen ze nog enkele maanden uitstel om de oogst binnen te halen, maar in 1717 ging moeder-overste Maria van de Eijnden met enkele zusters op zoek naar een nieuwe vestigingsplaats, die gevonden werd in Arendonk, waar Sint-Agnetendal opnieuw werd opgericht.

De kloosterkerk was bescheiden in haar uiterlijke verschijningsvorm en kon voldoen aan de criteria die werden gesteld aan schuilkerken, mits het torentje op het dak zou worden verwijderd. Dat laatste gebeurde en zodoende kon de kapel na het vertrek van de zusters worden gebruikt als parochiekerk.

In 1797 kwam de oude parochiekerk in de Kerkakkers weer aan de katholieken. Het gebouw had echter na 1,5 eeuw leegstand zo veel geleden dat men besloot de kloosterkapel te blijven gebruiken. Een afbeelding van de kloosterkerk is bekend in de vorm van een schets van de hand van Adriaan Cornelis Brock (St. Oedenrode, 1775 -1834), een vroege heemkundige. Of de nog aanwezige kloostermuur die in 1978 is gerestaureerd nog een restant is van de kloosterkerk is niet met zekerheid bekend. Mogelijk is hij gebouwd met afbraakmateriaal van de kerk.

In 1815 werd er bij de kloosterkerk een nieuwe pastorie gebouwd. Als om onduidelijke redenen in 1821 wordt besloten de oude kerk in de Kerkakkers weer te gaan gebruiken, blijft de pastorie dienst doen tot 1884 als de huidige Martinuskerk met pastorie aan de Bergstraat in gebruik wordt genomen. Vanaf dat moment verliest het complex definitief zijn kerkelijke functie. Zeven jaar later, in 1891 koopt jonkvrouwe Jeanne Judith Josephine Marie van der Does de Willebois het complex.

Onder jkvr. Jeanne kreeg het complex zijn huidige aanzien en omvang. Ze liet het huis in 1892 herbouwen. Een jaar later gaf ze opdracht tot de bouw van een koetshuis, de basis van de latere kaarsenfabriek. Het vernieuwde complex met haar voorname bewoners maakte zo’n indruk op de dorpsbewoners dat ze het ’t kasteeltje gingen noemen.

De jonkvrouwe verhuisde rond 1900 naar Brussel, maar twee dochters bleven tot 1920 op Agnetendal wonen waarna het complex werd verkocht aan Wilhelmus Joh. van Lieshout, ‘koopman’ in Riethoven. Hij was wasbleker. Dat is het proces om van bijenwas de grondstof te maken voor het vervaardigen van kaarsen. Van Lieshout bracht de daarbij behorende werkzaamheden onder in het koetshuis. In 1918 kwam de zoon van zijn zus, Willem Rombauts in het bedrijf en ze gingen de activiteiten uitbreiden met het maken van kaarsen. Willem’s vrouw, Johanna Aleida Koopmans, overleed in 1948 en Willem overleed in 1953. Het echtpaar had geen kinderen en zodoende kwam Agnetendal aan zijn neef Willem Rombauts. Na het overlijden van diens weduwe in 2004 komt het complex aan de huidige eigenaar. Die liet de woning opknappen om die vervolgens zelf te gaan bewonen.

De gebouwen zijn aangewezen als rijksmonument en niet te bezichtigen.

Dommelstraat Model.NdtrcItem.HouseNumber
5551 TA, Valkenswaard